Delen     Populaire blogs     Volgende blog Ľ
Blog maken     Inloggen
_
_
GOOILAND
Geschiedenis van Gooiland van 900 tot 2007
_
Home__Weblog__Prikbord__Fotoblog__Videoblog__Foto's__Links__Gastenboek__Vrienden__Zoeken__Tip__Login
_

Welkom op mijn Weblog


http://gooiland.vijftigplusser.nl/?page=article&warticle_id=44460



Mijn Profiel

gooilander
Ik ben nu offline

• Mijn profiel
• Privť bericht sturen
• Als vriend toevoegen

Toevoegen als weblog vriend






Zoeken in Google
_



CategorieŽn Overzicht




Laatste Weblog artikelen




Fotoboeken


FAMILIE (1)
_
FAMILIE (1)
_

FAMILIE (2)
_
ERFGOOIERS (89)
_






Weblog Vrienden


Nog geen weblog vrienden toegevoegd.



Gastenboek berichten

David Hughes
20 oktober 2017 07:22
_
Heb je dringende leningen nodig om je financiële problemen op te lossen? Indien geïnteresseerd; neem dan contact met ons op via; E-mail: Paydayloans@li ve.com Telefoon: (512) 850-4970

Lieneke Opmeer
08 juni 2017 10:00
_
Deze pagina kwam tegen toen ik op zoek was naar de familie Majoor en met name Machiel Janszoon Majoor uit Laren. Hij is mijn overgrootvader, zijn dochter Engelina is mijn oma. Ik ben ook vernoemd naar haar. Verder ben ik heel erg benieuwd of er meer informatie over mijn overgrootvader bekend is. lienekeopmeer@ hotmail.com

Hans Klinkenberg
25 maart 2016 20:58
_
Joaox@live.nl




Watskeburt Op 50plusser.nl

Door Marianne om 16:36
_
Marianne Online

Door marlie49 om 16:35
_
Nieuwe Forum reactie geplaatst

Door hehety om 16:34
_
Nieuwe Forum reactie geplaatst

Door Marianne om 16:33
_
Nieuwe Weblog reactie geplaatst

Door GerardS om 16:33
_
Nieuwe Weblog reactie geplaatst

Door Eenzamefietser75 om 16:32
_
Nieuwe Forum reactie geplaatst

Door Marianne om 16:31
_
Nieuwe Weblog reactie geplaatst

Door nenne13 om 16:31
_
Nieuwe Forum reactie geplaatst





_

Andere artikelen



Interpellatie van Heemskerk n.a.v. de dood van een Erfgooier in 1903


Erfgooiersprotest tegen het doodschieten van een vreedzaam actievoerende Erfgooier in 1903

ZITTING 1902—1903. 378

Interpellatie-Heemskerk betreffende de gemeene heiden en weiden in Gooiland. Vergadering van 16 Juni 1903.


Mijnheer de Voorzitter ! Door den geachten interpellant is gevraagd : heeft de Regeering een onderzoek ingesteld naar de redenen, waarom de burgemeester van Blaricum tegen den Isten Mei jl. de hulp der militaire macht had gerequireerd ? Ik zou die vraag zeer kort kunnen beantwoorden door te zeggen : ja, want meer wordt niet gevraagd, maar ik onderstel, dat de geachte interpellant wel niet alleen bedoeld zal hebben of een onderzoek is ingesteld, maar ook welke resultaten dat onderzoek heeh opgeleverd.


Zoodra ik van hetgeen in Blaricum geschied was kennis kreeg, — wel te verstaan door de dagbladen, want van den burgemeester als zoo- danig ontving ik er niet aanstonds mededeeling van — , heb ik onver- wijld telegraphisch den Commissaris der Koningin in Noord-Holland uitgenoodigd, zich in persoon naar Blaricum te begeven en in loco een onderzoek in te stellen. De naar aanleiding van dit onderzoek bij mijn Departement ingekomen rapporten hebben mij — ik kan het niet ont- veizen — toen niet bevredigd. Opdat de zaak niet in een verkeerd spoor geleid zou worden, heb ik daarom aanstonds aan den Commissaris der Koningin geschreven, dat art. 184 der Gemeentewet mijns inziens niet dekte de wijze, waarop hier opgetreden en gehandeld was. Daargelaten, of al dan niet krijgsvolk behoorde gerequireerd te zijn, gaf ik de mogelijkheid toe, dat de burgemeester bij zijn persoonlijk optreden met den veldwachter kon vreezen voor persoonlijk molest, en ik erkende, dat hij met het oog daarop zich door eene patrouille had kunnen verge- zellen. Maar zoo opgevat zou van een handelend optreden der militaire macht geen sprake behoeven te zijn geweest, daar van molest, personen aangedaan, ganschelijk niet was gehoord. Ik drong daarom aan op een nader onderzoek. Dit nadere onderzoek is toen nogmaals door den Commissaris ingesteld en ik moet zeggen, dat het rapport, dientengevolge van den burgemeester ontvangen, mij niet kon afbrengen van mijn oorsponkelijken indruk, dat hier gehandeld was met overschrijding van de bevoegdheid, die aan de Gemeentewet heette te zijn ontleend. Om er toen geen gras over te laten groeien, heb ik aan den Commissaris dit telegram gezonden: „Ik verzoek u, aan den burgemeester van

DE GEMEENE HEIDEN EN WEIDEN IN GOOILAND. 379

Blaricum te melden, dat ik nu reeds mijn afkeuring wensch uit te spreken over de door hem genomen maatregelen, die strekten om het gewelddadig brengen van ongebrand vee op de meent te beletten. Maat- regelen, waarvan men vooruit weet, dat zij het neerschieten van geweld- plegers ten gevolge kunnen hebben, zoo deze zich niet aan het gegeven bevel storen, kunnen, wanneer en zoolang niet-verhindering der geweld- pleging geen ander gevolg zou hebben, dan het brengen van vee in eene weide, onder mijn verantwoordelijkheid nimmer door een beroep op art. 184 en volgende der Gemeentewet zijn gedekt. In afwachting van den afloop der justitieele instructie, zoo die mocht worden ingesteld, bepaal ik mij voorshands tot deze afkeuring." Wat mij uit het rapport omtrent de feiten was gebleken, is het vol- gende. De burgemeester van Blaricum was op 29 April door de meent- meesters aangezocht, politie-assistentie te verleenen, ten einde de orde te bewaren bij den ingang van de meent. De meentmeesters ver- zochten dit, omdat hun ter oore was gekomen, dat tal van erfgooiers eene poging zouden wagen, vóór den daartoe bestemden dag niet behoorlijk gebrand vee in de meent in te brengen. De burgemeester was daardoor in eene onrustige stemming gekomen. Hij schreef in het rapport, dat hij er op dit oogenblik niet aan denken kon, zijn toevlucht te nemen tot de rijksveldwacht, wijl hij dan wel 35 rijksveld- wachters zou noodig hebben, terwijl hij, zooals de zaken toen stonden, vooruit wist, dat hij ze niet kon krijgen ; en dat hij daarom op grond van art. 184 van de Gemeentewet krijgsvolk requireerde, naardien hij meende, dat er metterdaad gevaar kon ontstaan voor storing van de openbare orde, indien de andere partij ook opkwam en zich tegen De Vos c.s. verzette. Ik geef volkomen toe, dat art. 184 bevoegdheid geeft, krijgsvolk te requireeren, niet alleen wanneer de openbare orde reeds verstoord is, maar ook wanneer op ernstige wijze stoornis van de openbare orde dreigt. De vrees daarvoor hing samen met het gebeurde op 13 April. Het lag in den aard der zaak, dat aanwezigheid in deze gemeente van eene kolonie, die sinds lang aanleiding had gegeven tot het kweeken van verbitterde stemming, door het gebeurde op 13 April eene nog veel ernstiger beteekenis had gekregen. Ook nadat de gewelddadigheden van 13 April tijdelijk onderdrukt waren, bleef dan ook de stemming jegens die kolonie in de gemeente ongunstig; zelfs tegenover de kunst- schilders, die daar in nog al groot getal aanwezig zijn, dreigde men soms tot gewelddadigheden te zullen overgaan. Daarom kan ik toegeven, dat de burgemeester van Blaricum. wetende, dat er eene zoo sterk ge-

ZITTING 1902—1903. 380

prikkelde stemming in de gemeente bestond, vreesde, dat eene bijkomende ongeregeldheid van anderen aard, hoe klein van afmetingen ook, licht weder de vonk in het kruit had kunnen werpen en opnieuw tot eene uitbarsting van ongeregeldheden en alzoo tot verstoring der orde had kunnen leiden. Ik betwist dan ook in het minst niet, dat de burge- meester van Blaricum, de zaak aldus beziende, volkomen gedekt was door art. 184, in zoover hij bij het kleine detachement, hetwelk was overgebleven, nieuwe hulp requireerde. Vijftig nieuwe manschappen requireerde hij uit Naarden en die zijn in den loop van den nacht dan ook te Blaricum gekomen. Intusschen was reeds vroeg in den avond van dien dag door den veldwachter gemeld, dat Harmen Vos zich reeds toen naar het hek van de meent had begeven, blijkbaar met het doel om den toestand te verkennen. De gemeenteveldwachter meende daaruit te mogen afleiden, dat de inval reeds over een uur zou kunnen plaats hebben. Daarop heeft de burgemeester bij den ingang der meent geplaatst 2 soldaten, die het volgend consigne ontvingen : vóór vijf uren 's morgens niemand met of zonder vee op de meent toetelaten ; van af dat oogenblik alleen diegenen toetelaten, die daarheen vee brachten, gemerkt met het teeken, dat door de meentmeesters was voorgeschreven; bij verzet tegen dien order eerst te trachten met de bajonet de aldus handelende personen daarvan af te houden ; hielp dit niet, dan driemaal te sommeeren ; mocht ook dit geen resultaat opleveren, dan in de lucht te schieten ; en hielp ook dit niet, dan een schot op den eerste, die zich verzette, maar laag, op de beenen. De burgemeesier schijnt toen, naar zijn rapport, het optreden van de erfgooiers niet voor den morgen te hebben verwacht en er niet op gerekend te hebben, dat men reeds 's nachts te twee uren zou komen. Daardoor waren hij en zijn veldwachter er niet, toen De Vos c. s. op- daagden, en vonden deze er slechts de twee soldaten op schildwacht. Harmen Vos kwam toen, met tien anderen, met één paard en twee stuks vee. Door het hek konden zij niet, omdat het hek met ketting en slot was vastgemaakt. Daarop hebben zij met een plaggensteker van den Koedijk een klein gedeelte, ter hoogte van 50 c. M., afgegraven, om zoo de dieren door te laten. Toen zij nu door die halve opening het paard en misschien ook het andere vee wilden drijven, hebben de soldaten strikt volgens het consigne gehandeld, gewaarschuwd, met de bajonet gedreigd, en in de lucht geschoten. Maar dit alles had geen effect. Men heeft namelijk van de zijde dier elf personen niet gedacht, dat de soldaten verder zouden gaan; zij konden zich blijkbaar niet

DE GEMEENE HEIDEN EN WEIDEN IN GOOILAND. 381

voorstellen, dat er ooit in zulk een geval op personen zou geschoten worden. Daarbij kwam nog, dat met zoogenaamde wachtpatronen in de lucht geschoten werd, die zachter geluid geven dan de scherpe patronen; en hierdoor verkeerden De Vos c. s. in den waan, dat slechts met los kruit geschoten werd. Toen heeft eindelijk een der schildwachten op den man geschoten, en wel volgens het consigne, op de beenen. Maar de getroffene stond in de coupure van 50 c.M. die in den Koedijk was gemaakt, zoodat hij, in de nog niet opgeklaarde duisternis, op den soldaat den indruk maakte van een klein persoon, die op den dijk stond. De soldaat meende dus, dat hij schoot op de beenen, maar hij trof hem in het lijf. En zoo kwam de ongelukkige Smidt te vallen. Aldus de korte mededeeling der feiten. Wanneer men mij vraagt, of de burgemeester bevoegd was, alzoo te handelen, zij drieërlei geantwoord. Ten eerste: tot het requireeren van troepen was hij onder de gegeven omstandigheden alleszins bevoegd. Ten tweede: ware hij er zelf heen gegaan en had zich daarbij doen vergezellen door eene patrouille om zich tegen geweld te dekken, dan zou ik, daar hij slechts over één gemeente-veldwachter beschikte, daartegen niets hebben in te brengen. Of ook, wanneer hij vreesde, dat van de andere erfgooiers oppositie zou komen tegen Harmen de Vos c. s., en er alzoo een gevecht kon ontstaan, dan ware het alleszins te verdedigen geweest, zoo hij troepen bij de hand had gehouden, ten einde, indien verstoring der openbare orde plaats greep, haar te herstellen. Maar wat ik — en dit ten derde — niet anders kan en mag dan afkeuren is, dat voor deze zaak en ter verleening van deze politie-assistentie gebruik is gemaakt van militaire macht. Immers, zoodra die militaire macht optreedt, geen bevoegdheid als politie bezit en dus geen proces-verbaal kan opkomen, mag het consigne als laatste middel gebruik doen maken van de wapenen, en dit brengt altoos het gevaar met zich, dat het ten slotte gaat om een menschenleven. Dit nu moest in dit geval tot eiken prijs gemeden worden. Immers, indien de burgemeester, door de meent- meesters om assistentie gevraagd, niets gedaan had dan daar zijn veld- wachter plaatsen, en, indien overtreding plaats vond, daarvan proces- verbaal laten opmaken, dan had hij volkomen genoeg gedaan, en had er verder niets behoeven te geschieden. Ik leg daarop te meer nadruk, omdat de burgemeester van Blaricum bij deze gebeurtenis zich in eene dubbel delicate positie bevond. Hij had niet uit het oog mogen verliezen, dat hij als burgemeester van Blaricum zelf lid was van de Vergadering van Stad en Lande. Hierop

ZITTING 1902—1903. 382

is zooeven ook door den geachten interpellant gewezen, al deed hij het min juist voorkomen, alsof hij krachtens zijn ambt daarin zitting had, zoo zelfs, dat uit de Gemeentewet moest blijken, of hij daartoe bevoegd was. Zoo mag de zaak niet worden voorgsteld. Er zijn allerlei opdrachten, die aan een persoon wel qualitate qua kunnen worden opgedragen, maar louter attributief, zonder dat zij met zijn ambtelijke bevoegdheid ook maar iets uitstaande hebben. Stel, — om een voor- beeld van recente herinnering te nemen — , dat de instelling, door den heer Carnegie bedoeld, tot stand kwam; dat daarvan eene stichting gemaakt werd, en dat in den stichtingsbrief bepaald werd, dat de Minister van Buitenlandsche Zaken in Nederland een van de trustee's zou zijn, dan zou dat in geen enkel opzicht, krachtens de wet, voortvloeien uit zijn ambt, maar geheel attributief bij zijn ambt bij komen. En zoo staat het hier met den burgemeester. Maar al kan ik deswege niet toegeven, dat hij ambtelijk zitting in de Vergadering van Stad en Lande heeft, toch vind ook ik het uiterst delicaat, dat iemand, die zelf heeft medegewerkt om op privaatrechtelijk terrein zulk een schaarbrief vast te stellen, als burgemeester optreedt om de bepalingen van zulk een schaarbrief tegenover opposanten te handhaven. En stellig moest hij juist deswege de uiterste voorzichtigheid hebben in acht genomen. Het gold hier in geen enkel opzicht de handhaving van een publiek recht; het was een privaatrechtelijk geding en, gelijk straks door den geachten interpellant terecht is opgemerkt, voorzag de schaarbrief zelf in de wijze, waarop gehandeld moest worden, indien onverhoopt iemand, in strijd met de regeling van den schaarbrief, zonder daartoe huns inziens gerechtigd te zijn, vee op de meent bracht. Ik meen zelfs, dat het goed is, hier voor te lezen wat in den schaarbrief op het straks voor- gelezene volgt, nl. dit, dat er bijgevoegd is: „Onverminderd zijn ver- plichting tot vergoeding van schade en kosten, zal door den eigenaar verbeurd worden eene boete van veertig gulden voor elk zoodanig stuk vee". Had dus de burgemeester er zich toe bepaald, proces-verbaal te doen opmaken, bijaldien Harmen de Vos met dat paard en die twee beesten op de weide was gekomen, dan had de Vergadering van Stad en Lande hem eene boete van f 120 kunnen opleggen, en daarover had men dan kunnen procedeeren. Het maakt toch al den indruk, dat het dezen opposanten volstrekt niet te doen was om hun vee op de weide te hebben, maar veel meer om eindelijk dan toch de reeds zoo- lang hangende zaak in rechten te doen uitmaken. Anders toch waren zij met al hun vee gekomen en niet met drie stuks daarvan. En stel al, het ware noodzakelijk geweest, het brengen van vee op de meent I

DE GEMEENE HEIDEN EN WEIDEN IN GOOILAND. 383

met geweld te beletten, dan zou men toch altijd beter hebben gedaan, bij consigne last te geven tot het vuren op dat paard of op die twee beesten, — die op zich zelf een uitstekend objectief hadden geboden — , dan te laten schieten op menschen. Niemand toch kan beweren, dat hier eene zoodanige samenschakeling van omstandigheden bestond, dat men kon zeggen, dat, wanneer men op dat oogenblik er niet een menschenleven aan waagde, de publieke orde gevaar liep. Er waren niet meer dan elf personen, en gevaar voor eene botsing, door het opkomen van erfgooiers van de andere posten, bestond op dat oogenblik in geen enkel opzicht. Die over- tuiging stond van meet af aan bij mij vast, en ik heb daarvan, zooals uit het zoo straks voorgelezen telegram blijkt, onmiddellijk kennis gegeven. De geachte interpellant heeft aan zijn tweede vraag nog eene derde toegevoegd, deze namelijk: Ligt het in de bedoeling der Regeering, er voor te waken, dat eene juiste toepassing van art. 184 der Gemeente- wet ook in de Gooische gemeenten gewaarborgd blijft? Ik zou, zooals ik de zaak bezie, zeggen: de juiste toepassing was op dit oogenblik niet gewaarborgd en dus is de quaestie minder, of zij gewaarborgd zal blijven, dan wel of zij voor de toekomst gewaarborgd zal worden. De geachte interpellant weet nu reeds, dat ik mijnerzijds terstond heb gedaan wat ik op dat oogenblik kon doen, om dien waarborg te geven, namelijk aan den burgemeester mijn afkeuring over de zaak doen mededeelen. Of ik het hierbij zal laten blijven, dan wel verder gaan, kan ik op dit oogenblik nog niet beslissen. Ware schorsing als straf in de toepassing van ons gemeentelijk recht meer usance geweest, dan zou ik zonder twijfel op dat oogenblik schorsing hebben voorgedragen. Maar daar schorsing als straf steeds als een van de zeer dubieuse middelen van redres geldt, meende ik daartoe niet te moeten overgaan. Wanneer de geachte interpellant vraagt, of ik ten bate van de Gooische gemeenten voor het vervolg nog iets doen kan om te voorkomen wat m. i. is eene overschrijding van bevoegdheid, dan wil ik wel zeggen, dat ik het denkbeeld in overweging heb genomen, aan de burge- meesters van Naarden, Bussum, Huizen en Laren eene circulaire te richten, waarin ik hun mededeel, welke mijn meening over den loop van deze zaak is geweest en waarin ik dan tevens zou kunnen aangeven, hoe mijns inziens zal te handelen zijn, wanneer onverhoopt het geschil tusschen erfgooiers en de Vergadering van Stad en Lande tot nieuwe feitelijkheden leiden mocht. Wat ik verder nog als Minister zou kunnen doen om in een zeker aantal bepaalde gemeenten, ten opzichte van eene bepaalde quaestie, eene zuivere handhaving van art. 184 der Gemeente- wet te verzekeren, zie ik voorshands niet in.

ZITTING 1902—1903. 384

Hiermede meen ik, Mijnheer de Voorzitter, de twee laatste vragen beantwoord te hebben. Ik mocht daarbij den burgemeester van Blaricum niet sparen, omdat, naar het mij voorkomt, waar feiten plaats grepen die een menschenleven hebben gekost, geen hiërarchische neiging, om een en ander te dekken, ook maar in eenig opzicht het recht krenken mocht. Maar na aldus geantwoord te hebben, meen ik toch, er van deze plaats te moeten bijvoegen, dat er in de omstandigheden, waarin Blaricum op dat oogenblik verkeerde, wel veel was, dat als verzachtende om- standigheid ten opzichte van den burgemeester pleit. Men was daar in die gemeente onrustig. De burgemeester had moeilijke dagen doorleefd ; hij stond voor eene onzekere toekomst, waarvan hij niet recht wist, waar het heenging, en de tijd om te beslissen was kort. Dat een burgemeester van een klein dorp in zulke omstandigheden, en in zulk een oogenblik, zich vergist in de juiste opvatting van de bevoegdheid, die een wetsartikel hem toekent, vind ik wel diep te betreuren, maar is toch ook van de andere zijde niet geheel onbegrijpelijk. Die ver- zachtende omstandigheid meen ik dus ter verdediging in aanmerking te moeten brengen. Maar dit neemt niet weg, dat ik het eveneens van deze plaats wensch uit te spreken, dat de Regeering het ten hoogste betreurt, dat, door eene niet juiste opvatting van zijn bevoegdheid door een ambtenaar, een menschenleven vernietigd is geworden. V/are gehandeld geworden op eenvoudige en natuurlijke wijze, die jonge man zou nog in het leven zijn en de familie Smidt zou niet den rouw dragen, waaronder zij op dit oogenblik gebukt gaat. Handelingen, blz. 1234 — 1236. Mijnheer de Voorzitter! Ik zou niet gaarne, door het zwijgen te doen tot het gesprokene door den laatsten spreker over de handeling van den waarnemenden burgemeester van Naarden, den schijn willen doen ontstaan, alsof ik zonder meer die handeling zou goedkeuren. Heb ik als burgemeester eenmaal militairen gerequireerd, en hun het keeren als consigne gegeven, dan helpt het niet, of ik al tot hen zeg, dat zij niet mogen schieten. Immers, militairen, die stuiten op verzet, moeten handelen, en zoo zij dan niet schieten mogen, dan nemen ze de bajonet, en een steek met de bajonet kan even doodelijk zijn als een schot. Het komt mij daarom voor, dat ook de waarnemende burgemeester van Naarden wel militairen had mogen medenemen, om, greep er geweld tegen personen plaats en werd de orde verstoord, alsdan van de wapenen gebruik te maken, maar die militairen hadden in geen geval mogen ge-

DE GEMEENE HEIDEN EN WEIDEN IN GOOILAND. 385

bruikt worden om ongebrand vee van de Meent te weren. En ik zeg dit ten opzichte van Naarden te eer, omdat de politiemaciit, waarover de waarnemende burgemeester in die gemeente beschikken kon, aan- merkelijk grooter was dan die, welke ten dienste stond aan het hoofd der gemeente Blaricum. Ook heb ik niet goed begrepen, waarom door den laatsten spreker een aanval gericht werd op de Regeering, alsof deze te zacht zou zijn opgetreden tegenover den burgemeester van Blaricum. Ik heb zooeven gezegd, dat ik onmiddellijk door den Commissaris der Koningin mijn besliste afkeuring heb doen te kennen geven. Ik heb de redenen genoemd, waarom ik meende, dat tot schorsing alsnog niet wel kon worden overgegaan. En in de derde plaats heb ik er bijge- voegd, dat ik in deze mijn laatste woord nog niet heb gesproken, en heb ik gezegd, waarom ik nog niet verder had gehandeld. In het straks door mij voorgelezen telegram wordt toch uitdrukkelijk gezegd, dat de nu genomen maatregel een voorloopige is, en dat ik voorts wensch af te wachten, welke de uitkomst zal zijn van een justitieel onderzoek, dat casu quo mocht worden ingesteld. Handelingen, blz. 1237.



HENDRIK SMIT 1881-1903 . OP DEZE PLAATS WERD BIJ EEN VREEDZAME ACTIE IN DE ERFGOOIERSSTRIJD DE LAARDER HENDRIK SMIT OP 1 MEI 1903 DOODGESCHOTEN. ZIJN DOOD LEIDDE TOT DFE TOESTANDKOMING VAN DE ERFGOOIERSWET VAN 1912. ( HET MONUMENT IS EEN ONTWERP VAN K.P.C. DE BAZEL) HENDRIK SMIT 1881-1903 . OP DEZE PLAATS WERD BIJ EEN VREEDZAME ACTIE IN DE ERFGOOIERSSTRIJD DE LAARDER HENDRIK SMIT OP 1 MEI 1903 DOODGESCHOTEN. ZIJN DOOD LEIDDE TOT DFE TOESTANDKOMING VAN DE ERFGOOIERSWET VAN 1912. ( HET MONUMENT IS EEN ONTWERP VAN K.P.C. DE BAZEL) HENDRIK SMIT 1881-1903 . OP DEZE PLAATS WERD BIJ EEN VREEDZAME ACTIE IN DE ERFGOOIERSSTRIJD DE LAARDER HENDRIK SMIT OP 1 MEI 1903 DOODGESCHOTEN. ZIJN DOOD LEIDDE TOT DFE TOESTANDKOMING VAN DE ERFGOOIERSWET VAN 1912. ( HET MONUMENT IS EEN ONTWERP VAN K.P.C. DE BAZEL)


Artikel links



Geplaatst op 23 februari 2014 18:28 en 1753 keer bekeken



Deel dit artikel via:





_
R
eacties van leden


Je reactie
Naam   Gast
Reactie   
  _
Captcha_Beveiligingsvraag

Welk dier is dit?
_

Er zijn nog geen reacties gegeven.