Delen     Populaire blogs     Volgende blog Ľ
Blog maken     Inloggen
_
_
GOOILAND
Geschiedenis van Gooiland van 900 tot 2007
_
Home__Weblog__Prikbord__Fotoblog__Videoblog__Foto's__Links__Gastenboek__Vrienden__Zoeken__Tip__Login
_

Welkom op mijn Weblog


http://gooiland.vijftigplusser.nl/?page=article&warticle_id=44460



Mijn Profiel

gooilander
Ik ben nu offline

• Mijn profiel
• Privť bericht sturen
• Als vriend toevoegen

Toevoegen als weblog vriend






Zoeken in Google
_



CategorieŽn Overzicht




Laatste Weblog artikelen




Fotoboeken


FAMILIE (2)
_
FAMILIE (1)
_

ERFGOOIERS (89)
_
FAMILIE (1)
_






Weblog Vrienden


Nog geen weblog vrienden toegevoegd.



Gastenboek berichten

David Hughes
20 oktober 2017 07:22
_
Heb je dringende leningen nodig om je financiële problemen op te lossen? Indien geïnteresseerd; neem dan contact met ons op via; E-mail: Paydayloans@li ve.com Telefoon: (512) 850-4970

Lieneke Opmeer
08 juni 2017 10:00
_
Deze pagina kwam tegen toen ik op zoek was naar de familie Majoor en met name Machiel Janszoon Majoor uit Laren. Hij is mijn overgrootvader, zijn dochter Engelina is mijn oma. Ik ben ook vernoemd naar haar. Verder ben ik heel erg benieuwd of er meer informatie over mijn overgrootvader bekend is. lienekeopmeer@ hotmail.com

Hans Klinkenberg
25 maart 2016 20:58
_
Joaox@live.nl




Watskeburt Op 50plusser.nl

Door elvira om 02:41
_
Elvira Online

Door Nico880 om 01:06
_
Nico880 Online

Door nick17 om 01:06
_
Nick17 Online

Door nenne13 om 01:03
_
Nenne13 Online

Door elvira om 01:02
_
Nieuwe Forum reactie geplaatst

Door elvira om 01:00
_
Nieuwe Forum reactie geplaatst

Door elvira om 00:59
_
Nieuwe Forum reactie geplaatst

Door elvira om 00:58
_
Nieuwe Forum reactie geplaatst





_

Andere artikelen



HUISGENOTEN (nr. 63)


Bussumerstraat 27 en 29. De familie Baalman woonde op nr. 27


Snippers van leven 63 - Huisgenoten

Zoals verteld waren er naast Pa en Ma twee oudere broers en een zusje. De huisgenoten waar ik mee leefde, speelde, ruzie maakte en vocht dat de plukken haar in het rond stoven. Met mijn broers sliep ik samen in één groot tweepersoonsledikant, veilig gebed tussen hen in. Een positie die kapelaan Poppenkop mij had bezorgd, na mijn ontboezeming van onkuisheid met mijn zusje.
Die gulden middenpositie gaf verheugende voordelen. Ten eerste was ik verzekerd van de behaaglijke warmte die beide jongenslijven uitstraalden. Maar het feit dat ieder voordeel zijn nadeel heeft, kwam ook hier aan het licht, of liever: aan de lucht! Een nadeel van aromatische aard. Het liet mij extra genieten van hun minder welriekende geurtjes, speciaal na de zaterdagse erwtensoep. Dat ik van beide kanten onder vuur werd genomen, was minder leuk. Het was echter een klein ongemak en het dient gezegd dat ik, hoewel klein van stuk, flink kon “rotten” (Bargoens voor scheten laten) en ferm tegenvuur gaf in het beantwoorden van het onderdeks geschut.

Het tweede voordeel was dat het mij verzekerde van royale, nimmer afglijdende bedekking.
Woelde linker broeder in zijn slaap en trok hij daarbij de dekens weg, dan was dat vervelend voor rechterbroer, maar mij kon het niet deren, omdat er voor mij altijd voldoende overbleef. Ook nachtelijke bewegingen op de rechterflank, konden wel ontblotend onheil op het linkerfront aanrichten en linkerbroer half bevroren doen ontwaken, maar de temperatuur bleef voor mij aangenaam constant, als door een onzichtbare thermostaat geregeld.

Dan was er een derde voordeel dat letterlijk boven de anderen uitstak. Hun gestalten creëerden voor mij een dal van vrede, waarin geen kwaad of smart mij kon genaken. “Want al ging ik door een dal van diepe duisternis, ik vreesde geen kwaad” (Psalm 23: 4). Al loeide de orkaan van vaders toorn nog zo hevig over hun bergruggen, mij liet dat ongevoelig en ongeschonden. Want menigmaal kwam Pa witgloeiend van drift met zijn zware lederen broekriem in de hand naar boven stormen als wij weigerden te gaan slapen en bléven klieren en donderjagen tot het hem rood voor de ogen werd. Het nu volgende pak ransel was onomkoombaar. Voor mijn broers!
In mijn riante middenpositie kon ik de komende, voor hen uiterst pijnlijke gebeurtenissen, bedaard en koelbloedig onder ogen zien. De dekens werden woedend weggetrokken. Drie, bij voorbaat krimpende jongenslijven lagen weerloos bloot. En dan begon de riem krachtig in hoog tempo over de walletjes te striemen waartussen ik prinsheerlijk lag. De twee buffers functioneerden uiterst doelmatig als schok- en slagbrekers. Luid kermend namen mijn broeders de slagen in ontvangst.
Uit solidariteit met de gemartelden, “planjerde” (Bargoens voor huilen) en gilde ik huizenhoog mee. Maar dat was pure verlakkerij en leidde de aandacht van mijn verbolgen Pa af van het feit dat ik geen spoortje pijn voelde. Het kan verbeelding zijn geweest, maar steevast meende ik ná zo’n kastijding een lichte schroeilucht waar te nemen en had ik diep met mijn beklagenswaardige broers te doen.

Met zus ging ik in de regel uiterst vriendschappelijk om. Zij had een zwak voor het jongste broertje en ik liet mij gewillig door haar bemoederen. Zij heette Coby, een naam die ik verbasterde tot “Popie”, wat niet naliet haar vertedering te wekken. Ook mocht ik meedoen bij het spel met de vriendinnen. Hadden die in hun fantasie een ziekenhuis op poten gezet, met zij als verpleegsters, dan fungeerde ik als doodziek patiëntje van de kinderafdeling. Gewillig liet ik mij, behaaglijk liggend op een geïmproviseerd ziekenhuisbedje verplegen en vertroetelen. De zusters stopten snoepjes en lekkere hapjes in mijn mond, die ik, voor een zwaar ziek kind, met verrassende snelheid verorberde.
Ook werd ik gewassen. Op voorwaarde dat daarbij niet teveel water werd gebruikt (een vloeistof die ik hevig verafschuwde als het ter reiniging werd aangewend), hechtte ik aan die wasbeurten minzaam mijn toestemming. Ook tegen polsslagopname, dat veelvuldig gebeurde, had ik geen bezwaar. Maar toen de bezorgde zusters met een stokje de temperatuur ook rectaal op wilden nemen en daartoe reeds billetjes en “snikkeltje” (Bargoens voor piemel) hadden ontbloot, nam ik met het broekje op de hielen de benen. Dát ging mij te ver en mijn mannelijke waardigheid kon deze behandeling niet gedogen.

Mijn oudste broer, die na een noodlottige smak uit de wieg op zijn bolletje, enigszins achterop kwam sukkelen, had een groot, door ons hevig benijd talent. Hij kon een haan imiteren en het authentieke “Kukeleku-u-u!” die dat dier uitbracht, vlekkeloos nakraaien, ja in klank en volume zó overtreffen, dat de, tot het uitbrengen van dat geluid gerechtigde hoenderman, beschaamd en met gebogen kop in het nachthok verdween. Op tijden dat een fatsoenlijke haan, zijn snavel wist te houden, liep mijn broer luidkeels kraaiend rond en schopte tot ver in de omtrek de kippenhuishouding in de war. De diverse hanen kregen knap de Cante clére in. (Markies de Cantecler = een haan-stripfiguur, door Marten Toonder). De stomme dieren raakten van slag en de kippen van de leg. Hun ingebouwde en door de geëigende haan op tijd gekraaide tijdklok, raakte ontregeld. Met verblekende oorlellen hoorden zij bij tijd en ontij, broers gekukel aanzwellen. Zij wisten niet meer wat te denken en de gevestigde orde kwam in gedrang.

Banketbakker Haagen op de hoek, die ook een hok met verontruste tokkelaars bezat met haan, die moedeloos de concurrentiestrijd had opgegeven en wijselijk zijn snavel hield, kwam op het lumineus idee de, op de meest ongelegen momenten uitbarstende hanenzang op een geschikter tijdstip te verplaatsen. Hij deed mijn broer het voorstel zijn monddood gemaakte haan te vervangen. Maar dan moest hij bij hem in dienst treden en zijn woest gekraai alleen op het geijkte uur uitstoten, namelijk vier uur in de morgen. Plaats der opvoering: bij de bakker voor de deur. Beloning? Gevulde koeken!
Zo kon het gebeuren dat, in alle vroegte erop uittrekkende melkrijders en van het palingpeuren terugkerende vissers, toeschouwers en toehoorders waren van de vocale prestaties van een hanen imitator. Zij zagen een opgeschoten jongen, die, met het hoofd naar de opkomende zon gewend, kraaide en kraaide dat de vroege mussen er verschrikt van opstoven.
Het heeft maar één week geduurd dat mijn broer voor dag en dauw zijn bed uitklom om aan de kraaienarbeid te beginnen. De krenterige bakker bleek geen echte humorist en niet uit het goede narrenhout gesneden. Het zo moeizaam bijeen gekraaide loon, is nooit door hem uitbetaald! Hetgeen een minne streek van een slecht soort grappenmaker was.

Maar vrouwe Justitia, de wrekende godin der gerechtigheid, heeft met behulp van een onbekende kwajongen, het onrecht mijn broeder aangedaan, gewroken. Het niet gehonoreerde hanengekraai had geklonken kort voor Pasen. De bakker genoot faam in het plaatsje om de wijze waarop hij zijn etalage opmaakte en vulde met door hem zelf gecreëerde chocoladebeesten en voorwerpen die nu eenmaal met het paasfeest schijnen samen te moeten gaan. Hij was een artistiek decorateur en knap in het opstellen van zijn fraai chocolade gietwerk, dat met groot vakmanschap weken tevoren was vervaardigd.
In al zijn pracht prijkte nu in zijn etalage een 80 centimeter hoge paashaas, kleurig met gesmolten suiker gepenseeld. Een “Schepping” die al zijn voorgaande creaties glansrijk sloeg. Het dier was verblindend schoon. Op zijn voorpoten torste het een grote mand gekleurde eieren, hol en broos.
Eén klein schoonheids- of technisch foutje, kleefde er aan. De stevig ontwikkelde achterpoten van het natuurlijke exemplaar, waren bij de namaakhaas anatomisch niet geheel juist. Het rustte op poten die wat dun waren uitgevallen. De gigantische haas was daardoor een wankelmoedige. Een chocolade reus op lemen voeten. En dát maakte de creatie kwetsbaar voor aanslagen van buiten af.

Wie de misdaad begaan heeft, is nooit uitgekomen. Maar een vandaal zonder een greintje gevoel voor schoonheid, heeft, in het ongewoon warme voorjaar, met behulp van een brandglas een achterpoot onder het stomme dier doorgesmolten. De geamputeerde kapseisde en stortte met groot kabaal ten gronde met mand eieren en al. In zijn ondergang sleepte hij en passant andere kostelijke decorstukken mee. De zo kunstig opgemaakte etalage werd een gave ruïne en dompelde de bakker op Witte Donderdag in zwarte rouw.
De mysterieuze dader is anoniem gebleven. Zijn naam was “haas”, zullen we maar zeggen. Het moet een fantastische boef en échte humorist geweest zijn. In ieder geval leverde hij een puik stukje werk.
Een tijdlang heb ik mijn andere broer verdacht. Bezat die niet het dikke glasvenster van een oude carbid lantaarn? En kon hij niet daarmee kundig manoeuvreren en witgloeiende brandcirkeltjes op de gekste plaatsen projecteren? Nou dan?

Hoe dan ook het bleef een raadsel Een geheim waar nooit een “haan” naar heeft gekraaid!Geplaatst door Theo Baalman op 19:20 Geen opmerkingen: Dit e-mailenDit bloggen!Delen op TwitterDelen op FacebookDelen op Pinterest

Toen moeder korte tijd daarna binnenkwam, zag ze mij met een onheilspellend groengekleurd gezichtje rond waggelen. Het lege kopje en het lege doosje waarin de poeders hadden gezeten, spraken duidelijke taal. En toen kwam zij, die anders traag van begrip en langzaam in beweging te krijgen was, met verrassende snelheid in actie. Bliksemsnel griste ze een deken van het bed, rolde mij er in en stormde op topsnelheid de deur uit met mij in haar armen. Straat in straat uit rende ze, haar scheefgetrapte schoenen had ze uitgeschopt en de korte dikke beentjes bewogen in razend tempo. Zo stormde zij compleet buiten adem, bij de dokter naar binnen, die net spreekuur had. Zij rende zonder vaart te minderen de wachtkamer vol patiënten door om pardoes de spreekkamer binnen te vallen, waar net een naakte dame op de onderzoektafel lag. Zonder een woord kwakte ze mij neer op het verbijsterde mens, gooide het ledige doosje ernaast en viel flauw op het karpetje van de geneesheer. Het was geen moment te vroeg. De medicus kwam onmiddellijk handelend in actie. Pompte mijn maagje leeg en verrichte andere werkzaamheden, die mij voor de rest van mijn leven verticaal moesten houden.

Het is gelukt. Op ’t nippertje. ’s Avonds was het levensgevaar geweken. Terwijl buiten een noodweer raasde met felle bliksemschichten, knetterende donderslagen en neergutsende slagregen kwam de arts op zijn hakkepuffer, een licht en hard zwoegend motorfietsje, toch nog even kijken om gerust te zijn voor de nacht, hoewel het al ver na elven was. Uiteraard sliep ik, wat geen verwondering mag wekken.
Maar…ik werd weer wakker! En dáár ging ’t om.

Een andere levensreddende handeling die moeder verrichtte was niet zo opzienbarend en het was lang niet zeker of het mij het prille leventje had gekost. Maar zij was heilig overtuigd van wel.
Er deden in die tijd angstige geruchten de ronde over de activiteiten van een Kinderlokster. Een zigeunerachtig vrouwspersoon met maniakale neiging tot het ontvoeren van kleine jongens, speciaal die in het bezit waren van een engeltjes-face en verder cherubijnaal voorkomen. Hoewel ik niet direct een engeltje was, schijn ik toch als knaapje een lekker smoeltje gedragen te hebben.

Ik weet er zelf niets meer van, maar Ma heeft het vaak verteld. Van die verschrikkelijke dag, toen ze mij miste en overal zocht. Hoe ze met angstig kloppend hart in de Pijp gluurde en op plekken waar ik mij placht te verstoppen, de wallen, de sparrenbosjes, achter de gemeentelijke houtstapels. Van de toenemende radeloosheid waarin ze geraakte.
Verslagen heeft ze, uitgeput van het vruchteloos gezoek, een tijd in wanhoop stil gezeten, terwijl verschrikkelijke visioenen haar beslopen. Niet lang.
Plots, als door een geheimzinnig instinct gedreven, is ze gaan lopen, langs de Muidertrekvaart, de liniaalrechte straatweg, kilometers ver, hijgend van inspanning en zwetend onder de blakende zomerzon.

Ze vond me! Dicht bij de brug die toegang gaf naar de brede rijksweg, die naar Amsterdam voerde. Ik wandelde braaf mee aan de hand van een bont geklede vrouw, met sluike, gitzwarte haren en gouden ringen in de oren. Het ontstelde wijf werd plots furieus besprongen. Ik werd van haar hand losgerukt en hoewel ik mij niet onbekwaam wist voort te bewegen, droeg moeder mij de hele lange weg terug.

Moeder heeft geen woord tegen de ontvoerster gezegd. Geen verwijt, niets. Zij heeft het geval ook niet gemeld bij de politie. Ze had mij terug, de rest was haar zaak niet meer.
Later, toen ik een schoolknaap was, heb ik nog wel eens met vage spijt aan die mislukte kidnapping gedacht. Zigeuners stonden in het middelpunt van mijn romantische fantasie. Zonder Ma’s interventie had ik misschien ‘s avonds om een knappend kampvuur gezeten, bont en schilderachtig gekleed. Peuzelend aan heerlijke stukjes vlees, gespietst aan een puntige stok en boven de laaiende vuurgloed geroosterd.
Maar ala, gedane zaken nemen geen keer.Geplaatst door Theo Baalman op 19:18 Geen opmerkingen: Dit e-mailenDit bloggen!Delen op TwitterDelen op FacebookDelen op Pinterest



Artikel links



Geplaatst op 28 maart 2016 18:21 en 1017 keer bekeken



Deel dit artikel via:





_
R
eacties van leden


Je reactie
Naam   Gast
Reactie   
  _
Captcha_Beveiligingsvraag

Welk dier is dit?
_

Er zijn nog geen reacties gegeven.